Etty, de liefde en de liefde

13-10-2026

Stel, je hebt een vriendschap verknoeid. Iets doms of onhandigs gedaan. Je bent in dubio, je weet niet of je contact moet zoeken of juist niet. Of je je aan een brief zult zetten of juist niet.

Wat je ook doet, je weet bijna zeker dat je het alleen maar erger maakt. Elk initiatief is hachelijk, niks laten horen ondenkbaar. Het is als met de man uit een koan die bungelend boven de afgrond zich vastbijt in een touw en daardoor amper geluid uit zijn keel krijgt. Hij verkeert in nood maar om hulp schreeuwen gaat niet.

Na de lezing in Nijmegen kreeg ik een brief van iemand in zo'n situatie. Na afloop hadden we de deelnemers gevraagd te reflecteren op de middag en dat resulteerde onder meer in een brief die me trof door zijn eerlijkheid. De tweede alinea luidde: 'Na de lezing over moed en Etty Hillesum ben ik aan het aftasten of "moed", de moed tot mezelf, een ingang kan zijn om mijn vastgeslagen gevoelens, mijn verkrampte lijf, enigszins te "verlossen".'

Een vriend of een vriendin kwijtraken: het kan een existentiële ervaring zijn. Niets minder dan dat. Je zit vast, je voelt je verkrampt – als de vriendschap groot is, voel je dat in je lijf. Alsof je een deel van je cellen deelt en bent vergroeid. Hoe herkenbaar.

Ik kreeg de behoefte de afzender gerust te stellen. Of ik daar goed aan heb gedaan? Ik schreef dat ook Hillesum er een potje van kon maken. Hoe ze zich bijvoorbeeld opstelt jegens haar vriendin Leonie Snatager, eveneens Joods, dat is niet leuk om te lezen. Bemoederend en betuttelend, de ergernis ligt er duimendik bovenop. Hillesum voelt zich ver boven haar vriendin verheven.

In mijn boek kon ik daarom de verleiding niet weerstaan het en passant voor Snatager op te nemen. Zij komt tot de conclusie dat ze wil onderduiken, een beslissing die behalve van zelfmoed ook van intermenselijke moed getuigt. Ze neemt afstand van de twee mensen van wie ze op dat moment het meest afhankelijk is, haar bewonderde therapeut – Julius Spier – en diens bewonderde assistente, Etty Hillesum. De twee zijn van mening dat een spiritueel volgroeid mens niet onderduikt.

Als één vorm van liefde ingewikkeld is, dan wel die van het ene volwassen individu voor het andere. Misschien is het daarom wel dat het christendom zijn heil zoekt bij het concept van de naastenliefde, het boeddhisme bij dat van de compassie.

Want intermenselijke liefde wordt makkelijker wanneer mensen op afstand staan. Dat is, volgens mij, voor Hillesum een van de grote ontdekkingen van haar laatste maanden in Westerbork. Het is bepaald onthullend wat ze schrijft.

'"De massa is een afzichtelijk monster, de individuen zijn erbarmelijk", zei iemand. Maar dit ervaar ik steeds weer in mezelf: er is geen enkel causaal verband tussen het gedrag van mensen en de liefde, die je voor ze voelt. Die liefde voor de medemens is als een elementaire gloed, waaruit men leeft. Die medemens zelf heeft er nauwelijks iets mee te maken.'

Je hebt dus liefde en liefde, de persoonlijke en de anonieme. Bij de persoonlijke is de ander een subject als jij, iemand met wie je een deel van je geschiedenis deelt, soms van je cellen. Bij de anonieme is de ander louter object, moeiteloos uitwisselbaar met andere objecten.

Ik heb me afgevraagd of dat de ontwikkeling is die grote spirituele naturen doormaken, dat ze evolueren van persoonlijke naar onpersoonlijke liefde (in iets ander verband gebruikt Hillesum de term bovenpersoonlijk). Dat ze zich zeer wel bewust zijn van de afzichtelijkheid van elke massa en dus ook van de individuen waaruit die bestaat. Dat ze desondanks hebben besloten zich daar niets van aan te trekken.

'De liefde […] laat zich niet boos maken en rekent het kwaad niet aan,' aldus Paulus in één van Hillesums favoriete Bijbelteksten. Is het Hillesum gelukt dat ideaal bij momenten te realiseren?

Daar lijkt het op. Naar het einde toe van het Westerborkse bestaan raakt ze er meer en meer vertrouwd mee en bedreven in, die onpersoonlijke, of misschien beter bovenpersoonlijke liefde. Getuige die laconiek geformuleerde zin van 8 augustus 1943 – een zin opgeschreven precies een maand voordat ze wordt afgevoerd naar Auschwitz. Liefde voor mijn medemens? Ach, die mens zelf heeft er amper iets mee te maken.

Staat echter die mens haar na, dan ligt het anders. Dan stuit ook zij op de grilligheden en grenzen van de persoonlijke liefde. Als de Hillesums precies een maand later op de fatale lijst belanden, krijgt dochter Hillesum geregeld dat ze niet met haar ouders en broer Mischa in een wagon hoeft. Ze wil alleen reizen, los van 'de druk van familieverbanden', zoals een vriend het naderhand formuleert. Alleen het nieuwe avontuur tegemoet gaan.

Hebben ze ruzie, zijn de spanningen te groot? Het mooie is dat juist in Kamp Westerbork de gezinsverhoudingen enorm zijn verbeterd, wat met name merkbaar is aan de relatie tussen moeder en dochter. Etty is veranderd, Etty is gegroeid, stelt vader Louis met verbazing vast. Zelfs voor haar onmogelijke moeder kan ze nu waardering opbrengen.

Toch stelt dochter Etty alles in het werk om gescheiden te kunnen reizen, het is haar laatste grote beslissing op Nederlandse bodem. In de persoonlijke liefde is ze evident niet zo vrij als in de bovenpersoonlijke. Zij klimt in wagon 12, de anderen in wagon 1.

Over grote religieuze persoonlijkheden en hun gezinspolitiek is veel te zeggen. Boeddha verlaat vrouw en kind, Jezus begint er nooit aan, Suster Bertken laat zich op jonge leeftijd inmetselen. Waarom? Laten we die vraag laten rusten. En eenvoudig vaststellen dat ook figuren als zij geen oplossing hebben voor de vele complicaties van affectieve verbanden. Die van vriendschappen inbegrepen. 

Share